|
De Telegraaf 17 augustus 2010 door Eddie Vetter Krijsende meeuwen en loeiende misthoornsOndanks de sponsorperikelen is het Amsterdamse Grachtenfestival van start gegaan met een als vanouds gevarieerd aanbod. De opening had plaats in Felix Meritis, waar de kameropera The lighthouse van Peter Maxwell Davies een sobere enscenering en een sterke muzikale uitvoering kreeg. De voorstelling is een product van het Resident Artists Programme van de Nationale Reisopera, waarin jong talent de gelegenheid krijgt ervaring op te doen. Voor The lighthouse (1980) zijn slechts drie zangers en een instrumentaal ensemble van twaalf musici nodig. Het werk is bij uitstek geschikt voor een Hollandse zomer: de opera speelt zich af op een afgelegen eiland voor de Schotse kust, waar het altijd lijkt te regenen. Het waargebeurde verhaal gaat over drie vuurtorenwachters die spoorloos verdwenen blijken te zijn op het moment dat ze zouden worden afgelost. In het eerste deel; doen drie scheepsofficieren die de vuurtoren leeg hebben aangetroffen, hun relaas voor de rechtbank. Ze kruipen daarbij geregeld in de huid van de verdwenen mannen. In het tweede deel is de identificatie compleet en spelen ze wat er in de toren gebeurd zou kunnen zijn. Eerst bevinden ze zich in een claustrofobische ruimte, omgeven met gaasdoek waarop vogels en wolken worden geprojecteerd. De drie zijn gewapend met zaklantaarns, maar het toneel is vaak zo schaars verlicht dat de aandacht verschuift naar het ensemble rechts daarvan. Voor het tweede deel verdwijnt het gaasdoek en doet een overijverige rookmachine haar werk, zodat niet alleen de drie ongelukkige mannen, maar ook heel Felix Meritis in de mist van de Hebriden lijken te verdwijnen. Antichrist Om de spanning te verdrijven zingen de vuurtorenwachters liederen. Juist daarin doemen weer de spoken uit hun duistere verleden op: geweld, seksuele frustratie, religieuze verdwazing en angst voor de komst van de antichrist, 'de schreeuw van het beest', zoals dit deel is genoemd. Wat er werkelijk is gebeurd, blijft in nevelen gehuld. Timothy Nelson brengt het in zijn regie en vormgeving sober in beeld, maar alles is reeds te horen in de muziek van Maxwell Davies, die het griezelverhaal annex psychologisch drama heeft voorzien van een mystiek sausje en veel aandacht heeft besteed aan de 'couleur locale' met krijsende zeemeeuwen en loeiende misthoorns. Voor wie geen fan is van deze componist, is het een nogal langdradige affaire, ondanks de beperkte lengte van tachtig minuten. Veel wordt vergoed door de voortreffelijke muzikale uitvoering van de zangers Richard Rowe, Kris Belligh en John Molloy, het intens spelende instrumentaal ensemble en de even beheerste als spannende leiding van de jeugdige dirigent Jonathan Berman, een naam om te onthouden. |
|
|---|---|