|
Telegraaf 2 juni 2009 door Eddie Vetter Rameau zonder krullenSommige regisseurs lijken van het misverstand uit te gaan dat ze een opera uit de achttiende eeuw dichterbij brengen door de personages te laten rondlopen in slecht zittende eigentijdse kleren. Toch was Rameau zelden verder weg dan in de geactualiseerde productie die de Nationale Reisopera van zijn Hippolyte et Aricie heeft gemaakt. De tragedie gaat over een incestueuze liefdesaffaire. Phèdre is verliefd op de zoon van haar echtgenoot Thésée, maar deze Hippolyte houdt van Aricie. Als de vader hoort dat zijn zoon schuldig zou zijn aan een affaire met zijn vrouw, vervloekt hij hem. Er is een ingreep van boven nodig om het verhaal gelukkig te laten eindigen voor de twee jonge geliefden. De mens is nu eenmaal een speelbal van de goden. Hier is de handeling niet gesitueerd in een tempel of paleis, in de hel of het woud van Diana, maar in het interieur van een woontijdschrift: een lange tafel op een tapijt van kunstgras. Op de achterwand is de gedekte tafel van boven geprojecteerd. De regisseur Stephen Langridge heeft zich uitgeput in surrealistische symbolen. Voor een niet-ingewijde valt er amper een touw aan vast te knopen. Een historiserende of tijdloze benadering zoals die van Pierre Audi in Zoroastre en Castor et Pollux is een probater middel om oude opera dichterbij te brengen dan zo'n steriele en vervreemdende actualisering. In dit cryptogram voor gevorderden heeft ook de liefhebber van Rameau's muziek heel wat te puzzelen. Er is ruim een half-uur gecoupeerd 'om de essentie van het werk bloot te leggen'. Dit terwijl het karakteristieke van zo'n opera voor een deel juist te vinden is in betoverende effecten en divertissementen. Het resultaat is Louis Quinze zonder krullen. Gelukkig heeft de dirigent Jed Wentz het hart voor Rameau wel op de juiste plaats zitten, ook al bestaat zijn ensemble Musica ad Rhenum uit slechts 25 musici, ongeveer de helft van wat in 1733 gebruikelijk was. Aanvankelijk stranden goede bedoelingen op een gebrekkige coördinatie tussen toneel en orkestbak, maar in de loop van twee uur en drie kwartier (inclusief pauze) krijgt de altijd weer verrassende muziek steeds meer kleur en profiel. In de volgende voorstellingen zullen ook de zangers zich wat vrijer kunnen bewegen. Sophie Daneman is een al te hevige Phèdre, Paul Agnew een fraai en correct zingende Hippolyte en Eugénie Warnier een prille en onvaste Aricie. Alleen Maarten Koningsberger brengt als Thésée echt hartstocht in het drama, ook al moet hij daarvoor soms zijn lyrische bariton forceren en worstelt hij vooral in de laagte met de extreme omvang van zijn partij. |
|
|---|---|