Twitter Facebook YouTube
  Language/Sprache
  in English
  auf Deutsch
Der Ring des Nibelungen Muziekkwartier
Financieel Dagblad
 
- +

Financieel Dagblad

13 juni 2009

door Jurjen Vis

Een boordevol juwelenkistje

Hippolyte et Aricie (1733) was Rameau’s eerste grote werk en is een meesterwerk dat barst van de ideeën. De solisten van de Reisopera weten het gependel tussen vormen overtuigend neer te zetten.

Hippolyte et Aricie was het eerste grootschalige theaterwerk van

Jean-Philippe Rameau (1783-1764). Bij de première was de componist al

50 jaar oud. Hij heeft later zelf geschreven dat hij zo lang had gewacht omdat hij zich lange tijd niet zeker van zijn zaak had gevoeld. Zo'n bekentenis neemt je toch in voor de man.

Al met al een meesterwerk, deze eersteling. Sommige tijdgenoten merkten op dat Hippolyte et Aricie genoeg goede muziek bevatte voor tien opera's. Alsof de muziek ten onder zou gaan in overdaad. Dat is niet het geval, maar iets van de 'kritiek' is navoelbaar. Ook bij de alleszins bevredigende uitvoering door de Reisopera. Rameau zit boordevol ideeën. Vaak passeren motiefjes of lijntjes waarvan je bij iedere andere componist zou denken: opletten, hierop gaat hij een aria of een heel nieuwe episode bouwen. Maar wat gebeurt er meestal? Helemaal niets. Rameau laat ons diamanten zien en voor we dat goed en wel doorhebben, is zijn juwelenkistje alweer gesloten en vergapen we ons aan iets anders.

Is dat erg? Alleen als je het vervelend vindt wanneer je verwachtingen niet worden waargemaakt. Een strak kader, zoals in opera's van Händel of cantates van Bach met hun scherpe afbakeningen tussen recitatieven, aria's, tussenspelen en koren, is bij Rameau nauwelijks aanwezig. Afgezien van een paar duidelijk afgescheiden ouvertures en interludes vloeien bij hem de aria's en recitatieven voortdurend in elkaar over. Net als bij Haydn en Buxtehude is bovendien een goed idee onderweg altijd welkom. Slechts zelden gaan bij hem aria's da capo (nog even vanaf het begin); daarvoor zijn ze veel te vrij en ook te kort. Zijn recitatieven zijn als vrij doorgecompo-neerde liederen.

Is dat overdaad? Nee, eerder gulheid. Rameau opereert niet in vormen, hij pendelt vrij tussen vormen. In vocaal opzicht is er in de huidige productie veel te genieten. De stemmen zijn heel verschillend, in die zin dat de een meer past bij de romantiek, de ander meer bij de barok en weer een ander meer bij de renaissance. Althans, zoals we ons dat de afgelopen decennia collectief zijn gaan voorstellen (hoe onterecht ook).

Eugénie Warnier (Aricie) frappeert door haar strakke geluid; ze heeft een krachtige, jonge stem, beetje bloot en scherp en weinig geheimenis, maar wel lekker. Paul Agnew (Hippolyte), haar geliefde, heeft vooral in de eerste en laatste akte veel te doen. Aanvankelijk was hij wat vlak maar hij groeide in zijn rol. Bewonderenswaardig zoals hij aan het einde van de voorstelling zijn soms wel heel hoge noten zong. Het zou wat ruimer mogen zijn en op een gegeven moment was de stem een beetje aangezongen. Niettemin: heel intens.

Maarten Koningsberger (Thésée) was in alle opzichten ideaal, als acteur en als zanger. Hij heeft een prachtige voile stem, niet heel erg ruim in de diepte, maar toch: ook daar zitten alle noten waar ze moeten zitten. Koningsbergers sterkste troef is dat hij zich emotioneel kan geven.

Juist daarin werd hij wonderwel aangevuld door Sophie Daneman (Phèdre), die in het verhaal zijn vrouw speelt. Theseus' kwelgeest Tisiphone (Richard Coxon) zet een wat karikaturaal tenorengeluid neer, het wekt de lachlust, maar in deze rol stoort het niet.

De mannen van het koor van de Nationale Reisopera hielden weer eens geen gelijke tred met de vrouwen; het is telkens net een graadje slapper en langzamer wat ze doen. Dirigent Jed Wentz moest een paar keer vinnig meebekken om de koppen in een zak te krijgen. Het lukte hem met zijn stijlzuivere, zwarte toverstafje.

Een fijne dirigent trouwens, die heel mooi spanning en ontspanning suggereert. Inspirerend hoe hij de natuurlijke adem van de muziek in zijn fysiek vertaalt. Je kunt zo instappen. Zijn Musica ad Rhenum — 25 musici — musiceert op het scherp van de snede. Nergens grof of met overdaad,

en ze pakken de soms ambitieus hoge tempi moeiteloos op. ¦