|
NRC Handelsblad 3-6-2009 door Kasper Jansen Rameau rukt op in NederlandDe Nationale Reisopera schrijft Nederlandse operageschiedenis met de fraai ogende Nederlandse geënsceneerde première van Hippolyte et Aricie (1733), de eerste en destijds omstreden opera van Jean-Philippe Rameau. Het is een belangrijk moment in de in ons land al te langzame doorbraak van de Franse componist die leefde van 1683 tot 1764. Hij was een tijdgenoot van Händel, wiens opera's hier alweer decennia worden uitgevoerd, maar die muzikaal vaak minder interessant zijn. De Nederlandse Opera presenteerde in 1968 zijn eerste Rameau: Platée ou Junon jalouse (een enscenering van Ton Lutz) en in 2008 de tweede: Castor et Pollux in de regie van Pierre Audi, die op het Holland Festival 2006 Zoroastre regisseerde. In 2004 dirigeerde Frans Bruggen Rameau's 'ballet héroique' Les Indes galantes in de regie van Jeroen Lopes Cardozo. Dirigent Jed Wentz schrijft in het programmaboek van Hippolyte et Aricie verontrustende dingen over de versie die hij en regisseur Stephen Langridge nu bij de Reisopera uitvoeren. Wentz gaat terug naar het revolutionaire origineel maar neemt als uitgangspunt een door Rameau in conventionele richting aangepaste versie. Wentz schrapt daarin weer van alles, maar plaatst de door Rameau geschrapte aria Cruelle mère weer terug. Door vergaande ingrepen, zoals het verwijderen van de proloog en enkele gedanste divertissements, willen Wentz en Langridge de dramatiek vergroten en het verhaal beter vertellen. Die balletscènes zijn overigens karakteristiek voor de Franse opera. En juist die proloog met een twist tussen de kuise Diana en de wellustige Amor presenteert de kern van dit quasi antieke Griekse drama dat na veel ellende toch nog eindigt met een bruiloft. Phèdre, de tweede vrouw van Theseus, wordt verliefd op diens zoon Hippolyte uit zijn eerste huwelijk, die verliefd is op Aricie. Na veel verwikkelingen en krachtige ingrepen van de goden, trouwen de geliefden uiteindelijk. Maar Theseus is ondertussen verbannen en Phèdre heeft zelfmoord moeten plegen. Het zou mooi zijn geweest als al dat geknutsel had geresulteerd in een hoogdramatische en onontkoombaar schokkend vertelde voorstelling. Maar dat is slechts ten dele het geval. Wentz komt met zijn barokorkest Musica ad Rhenum en zijn zangers tot een vaak nogal bleke en brave muzikale en vocale uitvoering. Die is meer gericht op esthetiek dan op het door Rameau muzikaal meedogenloze aandraaien van de snoeiharde schroef in deze strijd op leven en dood. Her en der zijn er goede scènes, zoals in de schrikwekkende onderwereld, maar met meer durf van Wentz kon het scherper en wringender, zoals bij Paul Agnew (Hippolyte) en Eugenie Warnier (Aricie). Het potentieel is er, ook bij Maarten Koningsberger (Theseus), Sophie Daneman (Phedre), Frans Fiselier (Pluto en Neptunus). Marie-Adeline Henry (Diana) en Machteld Baumans (Oenone). Wentz wordt in zijn hang naar esthetiek ongetwijfeld gestimuleerd door het prachtige toneelbeeld: een aansprekende mix van eigentijdse kostumering, oud-Griekse symboliek en barokke dansjes van hellehonden en jachtwild. Achterop het toneel staat een tafel waar mensen en goden samen dineren - Phedre gedraagt zich ook als een godin door uiteindelijk rampzalig in te grijpen in het leven van haar rivale Aricie. Op de achterwand zien we de projectie van het bovenaanzicht van die tafel, alsof het publiek op de Olympus zit. De zo typisch Franse eis van eenheid van tijd, plaats en handeling wordt hier geaccentueerd door de handeling zich in vijf actes te laten af spelen tijdens een diner: vier gangen met als toetje een bruiloft - op tafel. |
|
|---|---|