|
Dagblad van het Noorden 3 juni 2009 door Paul Herruer Prachtige Rameau in dito ensceneringOpera’s van Händel zien we tegenwoordig nog al eens: stukken met exuberante zang en een verhaal waarin altijd zonneklaar is wie het met wie houdt of wil houden en waarom en waarover gekonkeld wordt. Dat is bij de door de Nationale Reisopera gebrachte Hippolyte et Aricie van Rameau wel anders. Er is kennis van de Griekse mythologie nodig om te begrijpen waarom de goden iemand willen straffen en de handelingen die daartoe leiden zien we niet uitgespeeld – daar is het een klassiek drama voor. Maar wat is het een prachtige muziek, en wat ziet de enscenering er mooi uit. Als een voorbeeld van strak design, met de goden in avondkleding die aan tafel – het bovenaanzicht daarvan op de achterwand geprojecteerd – aan een saaie hemelse maaltijd zitten. Er verschijnen ook drie mannen in pakken met grijs geschminkte gezichten, als levende standbeelden à la Gilbert and George. In die setting speelt het drama zich af, en daarin worden behartenswaardige dingen over lot en noodlot uitgesproken. Bovendien wordt er door vrijwel iedereen bijzonder goed gezongen: titelheld Paul Agnew lijkt voor deze muziek geboren, Eugénie Warnier zet een breekbare Aricie neer, Maarten Koningsberger is in topvorm als Theseus, Sophie Daneman een schitterende Phèdre en Marie-Adeline Henry een krachtige Diana – en zo kunnen we doorgaan. Ook Musica ad Rhenum is in vorm, hoogstens zou het soms in de lagere regionen wat meer gewicht mogen hebben. Aanvankelijk lijkt al dat moois alleen esthetisch strelend, maar vanaf de aria van Phèdre in het derde bedrijf vallen de muziek en de dramatische zeggingskracht helemaal samen en wordt het stuk in al zijn classicistische ingetogenheid ook werkelijk aangrijpend. |
|
|---|---|