|
NRC Handelsblad Hamel geeft citaten zin in Snow WhiteSneeuwwitje is een emanciperende vrouw, haar zeven metgezellen een stel oversekste, drugsgebruikende kneuzen, en haar prins een ielige mislukkeling die worstelt met een identiteitscrisis. In Micha Hamels 'tragische operette' Snow White, naar het boek van Donald Barthelme, is sprookjesachtigheid vervangen door absurdisme, perversie en troosteloosheid. Het sprookje werd een tragikomische kritiek op de moderne tijd. Het ongerijmde, waarvan Hamel in zijn uitgebreide, zeer lezenswaardige verantwoording schrijft dat het misschien wel de enige (constante factor in ons leven is, is meer nog dan in het libretto aanwezig in de muziek van Snow White. Alleen al in de eerste minuut horen we Hollywoodmuziek, een close-harmonykoortje, een atonale sopraan en een jazzcombo. En zo gaat het bijna de hele voorstelling door, als een achtbaanrit door muzikale tijden en stijlen, gespeeld op een extreem uitgebreid instrumentarium. Die postmoderne polistilistiek is niet nieuw of opzienbarend. Hamel doet het echter met een verfrissende humor en virtuositeit, die geregeld uitstijgt boven het basisniveau van de jolige collage overigens dankbaar voer voor de connaisseurs in de zaal: 'Hee, Schönberg!', 'de Nokia-tune!', 'Was dat Hazes?'. De half citaten zijn vaak betekenisvol verdraaid: zo wordt Jane, de adolescente evenknie van de boze stiefmoeder uit het oorspronkelijke sprookje, neergezet als femme fatale door haar begeleiding aan de beroemde Habanera uit Georges Bizets Carmen te ontlenen. Haar uiteindelijke falen wordt tegelijk aangekondigd doordat die begeleiding meteen een volstrekt andere kant oploopt. Anderzijds kan Hamel zich soms ook eenvoudig verschuilen: is de rammelende tekstzetting hier en daar een blijk van onvermogen, of juist een authentieke stijlimitatie van wat zich doorgaans 'musical' noemt, het genre dat Hamel zo verafschuwt? Omdat het allemaal zo leuk, lichtvoetig en grappig is, wil je hem graag het voordeel van de twijfel geven. Maar het blijft makkelijk dat hij nergens iets hoeft 'af te maken en eindeloos door kan blijven zappen, als een kind in een muziekhistorische snoepwinkel. Dat wordt vermoeiend, dus is het goed en effectief dat hij juist in de laatste scènes vaak langer in een stijl en sfeer blijft. Enige stabiliteit wordt ook geboden door het vrijwel onveranderlijke decor, een Amerikaanse fifties-keuken, en de hectische maar toch heldere regie. Ook het libretto, door Hamel zelf samengesteld, is opmerkelijk genoeg vrij rechtlijnig, met een droevig plot. Er wordt goed gezongen, met dramatische bijrollen voor Frances Bourne (Jane) en Michael Kraus (haar foute lover Hogo). Prutsprins Paul is uiteraard een countertenor, een sterke rol van Joseph Schlesinger. In de titelrol is Rebecca von Lipinski onaantastbaar en aandoenlijk: ze staat boven haar zeven mannen, maar heeft haar eigen lot niet in handen. Ook het zevental maakt indruk, aangevoerd door Matthijs van de Woerd als Bill, die zijn oprechte twijfels met de dood moet bekopen. |
|
|---|---|