|
Luigi Cherubini (1760-1842) MedeaOpera in tre atti Sinds Maria Callas van de trappen van het paleis schreed en haar bloedrode mantel als een onheilspellend vaandel op de treden neervlijde, sprak men weer over Cherubini’s Medea. De Scala van Milaan had het meesterwerk van Cherubini, dat twee eeuwen daarvoor in alle grote theaters van Europa te zien was geweest, speciaal voor deze unieke vertolkster weer op het speelplan gezet. Al snel bleek dat deze ongewone, demonische figuur uit een archaïsche en duistere wereld juist in haar muziekdramatische gedaante wederom tot de verbeelding sprak. Het is verbazingwekkend hoe de gloedvolle en meeslepende muziek de beide kanten van dit ongewone personage een mengeling van een demonische tovenares en een hulpeloze ongelukkige minnares perfect belichaamt. Sterker nog, deze tweespalt wordt door de muziek volstrekt geloofwaardig en Medea’s verschrikkelijke wanhoopsdaad begrijpelijk. De in zichzelf gekeerde Beethoven, die tien jaar jonger was dan Cherubini, noemde zonder aarzeling Cherubini de grootste in leven zijnde componist en zijn belangrijkste inspiratiebron. Cherubini, die in Italië was geboren maar Frankrijk als zijn tweede vaderland had gekozen, wist een synthese te bewerkstelligen tussen de toentertijd streng gescheiden werelden van de Italiaanse en Franse opera. Met zijn opera Lodoïska behaalde hij in 1791 een stormachtig succes dat hij zes jaar later wilde evenaren met Medée, een opera met gesproken dialogen. Een belangrijke troef in het plan van Cherubini was de jonge Madame Scio, die het verwende Parijse publiek regelmatig in vervoering bracht met haar kwaliteiten als zangeres én actrice. Net als Euripides beperkten Cherubini en zijn librettist François-Benoît Hoffman zich tot de laatste episode van de sage van Medea. Nadat hij met behulp van Medea het Gulden Vlies heeft veroverd wil Jason Medea, inmiddels moeder van zijn kinderen, verlaten en met de dochter van koning Kreon van Korinthe trouwen. Medea ziet kans om haar rivale te vergiftigen en Jason te straffen door hun eigen kinderen te doden. De eenvoud van deze noodlottige geschiedenis, die onherroepelijk uitmondt in een catastrofe viel echter niet in de smaak bij het premièrepubliek. Het waren vooral de componerende collega’s van Cherubini en de oprechte muziekliefhebbers die Medea uitriepen tot een meesterwerk. De vier grote soloscènes van de titelheldin behoren wat betreft zeggingskracht en kleurrijkheid tot het beste dat de operageschiedenis tussen de hervormingsopera van Gluck en de belcantostijl van Rossini, Bellini en Donizetti heeft opgeleverd. |
|
|---|---|