|
Trouw Messcherpe en kakelbonte 'Hoffmann' van ReisoperaDe ene zingende regisseur was nog niet weg bij de Nationale Reisopera of de andere regisserende zanger diende zich daar alweer aan. Na de uitermate gelukte enscenering van Cherubini's Medea door bariton Dale Duesing, joeg tenor Laurence Dale zaterdagavond Offenbachs Les contes d'Hoffmann met verve over de kling. Dale creëerde met zijn ontwerpersteam een messcherpe, kakelbonte en steekhoudende voorstelling die in de Twentse Schouwburg van Enschede terecht met enthousiast gejoel werd onthaald. Opera op z'n best in een productie met een vette knipoog die zich het best laat omschrijven als een variétéact in een griezelkabinet. Dale zette de problematische 'Hoffmann' geheel naar zijn hand. Problematisch omdat Offenbach voor de voltooiing van zijn meest ambitieuze muziektheaterstok in 1880 stierf. Hoe het werk er had uitgezien als Offenbach was blijven leven, weet niemand. Er zijn twee kritische partituuredities op de markt die sterk van elkaar verschillen. Bovendien bleef de componist vaak na premières schaven aan zijn stukken. Dale heeft hetzelfde gedaan en Offenbach zou trots zijn geweest. Dale's versie, gebaseerd op de editie van Fritz Oeser, is een prima compromis met groot gevoel voor effect samengesteld. Dale voegt dingen toe, laat bepaalde frases door anderen zingen dan door Offenbach bedoeld en besluit de opera met twee climaxen achter elkaar: het grote ensemble met de Muze, gevolgd door het opzwepende, maar apocriefe sextet plus koor. Hierdoor bereikt Dale het effect dat het lijkt alsof de opera al is afgelopen, de zaal al klapt, en er nog een climax overheen komt. Het zorgt in combinatie met belichting en kleurrijke kostuums voor een slot zander weerga. Jammer wel dat in fee versie de rol van de Muze zeer onderbelicht blijft. Hoffmann, met prachtige overgave gezongen door tenor Gordon Gietz, dirigeert hier letterlijk zijn eigen voorstelling en vertelt de verhalen over zijn onfortuinlijke liefdes. Als eerste de mechanische pop Olympia, dan de ziekelijke zangeres Antonia en als laatste de sluwe prostituee Giulietta. Zoals het hoort door één zangeres gezongen: de voortreffelijke sopraan Sally Silver. Bariton Franco Pomponi kruipt geweldig in de huid van de vier satanische schurken. Het koor blinkt weer eens uit en in de bak speelt het Orkest van het Oosten het vuur uit de sloffen. En dirigent William Lacey moeten ze bij de Reisopera maar snel terugvragen. |
|
|---|---|