Twitter Facebook YouTube
  Language/Sprache
  in English
  auf Deutsch
Der Ring des Nibelungen Muziekkwartier
Recensie Telegraaf
 
- +

Telegraaf 25-3-2005

door Eddie Vetter

Aanstekelijke operasatire

Tijdens de achttiende eeuw is er vaak de spot gedreven met de serieuze opera, die toen een karikatuur van zichzelf was geworden. In L'opera seria sloegen de componist Florian Leopold Gassmann en zijn tekstschrijver Calzabigi twee vliegen in één klap. Ze namen niet alleen het genre zelf op de hak, maar ook het hele theaterbedrijf. De Nationale Reisopera heeft dit werk uit 1769 op het repertoire genomen, tot luid enthousiasme van het Haagse premièrepubliek.

Ook toen al was het theater een ware broeikas van intriges. De primadonna die geen wijs kan houden, spuwt een overdosis gif op de jonge debutante die het aanlegt met de componist. De beruchte boosaardige 'operamoeders' staan elkaar achter de schermen naar het leven. De ijdele tenor brengt als de vleesgeworden domheid de librettist tot razernij. De librettist krijgt een steeds grotere hekel aan de componist, maar spant met hem samen tegen de theaterdirecteur. En de theaterdirecteur gaat er aan het einde vandoor met de centen.

Gassmann, die zelf vijf jaar na de première het leven liet door uit een koets te vallen, doorspekte de handeling met geestige parodieën op de eigenaardigheden van de 'opera seria' met haar hoogdravende taal en versteende gevoelsexpressie, die een prooi waren geworden van over het paard getilde zangers. Hij deed dat met rake muziek en een ongelooflijk virtuoze vermenging van elementen uit de komische en serieuze tradities, waarbij hij de overzichtelijke structuur en helaas ook de lengte van het genre bewaarde. In het eerste bedrijf worden de personen geïntroduceerd die een opera gaan opvoeren, in het tweede repeteren ze en in het derde loopt de voorstelling uit op een loeiend fiasco.

Regisseur Laurence Dale, die zelf een vooraanstaande tenor is geweest, pleegt een ware vertaalslag door het verhaal te laten spelen in de eigen tijd. Deze actualisering gaat gepaard met een zekere verruwing van de omgangsvormen en van de bijbehorende humor die nu de allure krijgt van klucht en slapstick. De giftige primadonna is hier gewapend met poedel en sterallures te midden van rinkelende mobieltjes, opblaasborsten, tenoren in onderbroek en met blauw oog, een uitrukkende brandweer, een zangeres die met haar barokjurk in een decorstuk blijft hangen en de drie 'operamoeders' die als ontketende travestieten tekeergaan.

De eerste akte doet zo nogal hijgerig aan in de opgefokte sfeer van lach-of-ik-schiet met1 al die net iets te druk en te wijd rondmaaiende armen, maar de rest van de voorstelling bevat zoveel geestige vondsten' dat de bezoekers de (ondanks de coupures) lange rit van drieënhalf uur inclusief twee pauzes bijna moeiteloos uitzitten.

Bovendien rijmt de drastische aanpak precies met de even wilde als springlevend en enthousiaste interpretatie van muzikaal leider Jan Willem de Vriend die samen met de musici van zijn Combattimento Consort en de zangers niet op een nootje kijkt en soms als op rolschaatsen door de partituur lijkt te gaan. Ook, al klinkt het allemaal weinig' verfijnd, hij brengt zo wel vuur en vaart in de voorstelling en houdt de luisteraars bij de les.

Naarmate de avond vordert komen de zangers ook beter tot hun recht in hun lang niet malse partijen, in het bijzonder' Sally Silver als de primadonna Stonatrilla, Johannette Zomer als de tobberige, in haar schaduw figurerende Smorfiosa, Benoît Bénichou als de ijdele tenor Ritornello en Robert Burt als de operamoeder Bragherona, om slechts enkelen, van de homogene cast te noemen.

De voorstelling is hoorbaar en zichtbaar met veel plezier gemaakt, en dit plezier springt over op het publiek zodat geleidelijk de vonken over en weer gaan tussen toneel en zaal.