27 september 2011
De Volkskrant
27 september 2011
Door Bela Luttmer
SIEGFRIED
De Twentse Ring des Nibelungen heeft na twee succesvolle voorstellingen een heuse cultstatus bereikt. Zonder immense budgetten, zonder overdonderende decors, zonder solistennamen die aan de kassa stress veroorzaken laat de Nationale Reisopera nu al seizoenen achtereen zien dat Richard Wagners kolossale vierluik ook gedijt bij inventieve eenvoud. Vanaf zondag kan er weer een hoofdstuk in het vijftien uur durende epos over goden en reuzen, Nibelungen en Walküren worden bijgeschreven.
Voor deel drie, Siegfried, moet je inclusief pauzes bijna zes uur uittrekken. De productie gaat niet op tournee, maar de ware operaliefhebber telt bij die zes uur graag een reis vanuit Amsterdam, Maastricht of Keulen op.
Hij krijgt er een opvoering voor terug die menig heilig Wagnerhuisje omver schopt. Antony McDonald, regisseur en tevens vormgever en kostuumontwerper, houdt het toneelbeeld eenvoudig, soms zelfs huiselijk. Een kinderwagen en een schemerlamp, gesprekken aan de keukentafel - hij suggereert veel maar laat het invullen aan zijn publiek over. In een scene pakt hij flink uit. Als de onverschrokken Siegfried het gevecht met de draak aangaat, verandert de ingang tot de drakengrot in een monsterlijke kop en wordt een muur verbrijzeld door drakenklauwen.
Ook uit de orkestbak blijft het loze geweld achterwege. De dirigent Ed Spanjaard blijkt opnieuw een Wagnerdirigent van internationale klasse. Hij zet een Ring neer die de zangers niet sloopt, maar ondersteunt en die de spanning kan opdrijven zonder het volume te laten ontploffen. Tegelijkertijd laten de musici van het Orkest van het Oosten horen dat ze naast kamermuzikaal fluisteren wel degelijk intimiderend en hyperpotent kunnen losbarsten.
De voorstelling staat of valt met de vertolking van Siegfried, de held. De tenor Mati Turi, afkomstig uit Estland, oogt in zijn lederhose jong, groot en blond - als een man die de hele wereld aankan. En precies zo klinkt hij. Zijn stem heeft het uithoudingsvermogen van een tienkamper en een zinderende intensiteit die de aandacht tot de laatste minuut gevangen houdt.
Der Wanderer, die in een vorig leven nog als halfblinde oppergod Wotan mocht heersen over goden, Nibelungen en reuzen, is zijn macht kwijt. Toch geeft de bas Harry Peeters hem het gezag dat past bij een heerser. Mooi is het moment waarop hij door Siegfried wordt weggelachen. Je ziet een man die breekt, wiens wereld in elkaar stort. Daar herken je de signatuur van regisseur McDonald, die telkens opnieuw de persoonlijke en kwetsbare kanten van zijn personages naar voren haalt.
Mime, de smid die Siegfried heeft grootgebracht, krijgt in de uitstekende vertolking van Adrian Thompson vileine trekjes, maar Thompson maakt geen karikatuur van zijn rol.
De Hongaarse mezzosopraan Judit Németh zet een daverende Brünnhilde neer en ook de overige rollen zijn prima bezet, van de Waldvogel (Machteld Baumans) tot Alberich (Nicholas Folwell), van Erda (Ceri Williams) tot de reus Fafner (Mika Kares). Het volgende seizoen staat in het teken van de voltooiing van deze Ring. Götterdämmerung, de ineenstorting van het godenrijk, staat tevens aangekondigd als laatste nieuwe productie, als Godenschemering, van de Nationale Reisopera
Deze Ring sloopt de zangers niet, maar ondersteunt ze juist.