|
27 mei 2011
NRC Handelsblad Indrukwekkend vormgegeven 'La Bohème' in designwarenhuis Het is moeilijk om als kunstenaar in leven te blijven, laat staan om een plek tussen de gevestigde orde te verwerven. Dat is te zien in Puccini's opera La Bohème, maar ook een feit waarmee de Reisopera zich geconfronteerd ziet. Als het aan de Raad voor Cultuur ligt verdwijnt de instelling uit de 'Basisinfrastructuur' om te worden gereduceerd tot 'middelgrote productiekern' die meer op projectbasis moet opereren. Het valt te hopen dat nieuwe producties zoals deze Bohème dan mogelijk blijven. De voorstelling is -misschien na gewend te zijn aan het overheersende ijzig blauw- een lust voor het oog. De roman Scènes de la vie de Bohème (1851) van Henri Murger waarop de opera is gebaseerd, speelt een prominente rol door het gebruik van opgeblazen pagina's typoscript (inclusief handgeschreven correcties) als 'behang'. Ook de rest van de vormgeving is moderniserend, al blijft het armoeiige zolderkamertje waar de liefde tussen de fragiele naaister Mimi en dichter Rodolfo ontluikt ook hier een armoeiig zolderkamertje, in de vierde akte overigens wel verrassend van loodrecht boven getoond. Indrukwekkend is vooral de tweede akte, in het hier als designwarenhuis vormgegeven restaurant Momus. Het rommelige clubje bohemiens detoneert in de strakke, hagelwitte en decadente omgeving, alwaar Musetta's aria Quando me’n vo het spectaculaire hoogtepunt van de voorstelling vormt. Haar bemiddelde oudere minnaar, beladen met glossy boodschappentassen, heeft het nakijken als zij, in kort rood kerstvrouwenrokje, toch haar ex, de schilder Marcello, weer verleidt. Een akte later bevechten ze elkaar tussen (en met) de vuilniszakken achter een nachtclub. Van de zangers is vooral Stephanie Corley (Musetta) met haar rijke timbre een positieve uitschieter. Anita Watson is niet erg geloofwaardig als de ten dode opgeschreven Mimi, mede door haar wat vlakke acteerwerk. Tenor Rafael Davila is een uitstekende Rodolfo, en Nederlander Thomas Oliemans verdedigt ‘s lands eer uitstekend als Marcello. Dirigent Patrick Davin zou delicater met de orkestmuziek mogen omgaan, al blijft Puccini's dramatiek onweerstaanbaar. |
|
|---|---|